Aanwezigen: Jan Reus, Gua van Schoorl, Marjan van Gils, Eric Beets, Harald Medders, Joanneke van der Linde, Serge Sadocco, Menso Groeneveld en Wilma Wegert
Menso stelt zich allereerst voor: econometrie gestudeerd en vervolgens de Rietveld academie. Hij merkt direct op dat het verschil tussen de twee studies meteen duidelijk wordt. Aan de universiteit is het leren begrijpen belangrijk, waarbij je het ego aan de kant zet. Op de academie leer je dat jouw visie op de dingen belangrijk is waarbij het ego een grote rol zal spelen. Ergens tussen de twee werelden ligt een tussenvorm die wellicht nog de meeste raakvlakken kent voor Menso.
Menso houdt van veranderingen, hij heeft de zelfs het schilderij van de uitnodiging nadat deze al gedrukt was weer veranderd, zonder daar erg in te hebben gehad. Bij Menso komt deze neiging tot veranderen voort uit ontevredenheid over het resultaat. De neiging om kapot te maken is hier wellicht constructief bedoeld. ( daar zijn we nog niet uit) Voor Menso geldt hier een groot vrijheidsveld, de situatie dat alles kan en mag. Zowel de creatie als de destructie.
Menso is op dit moment geïnspireerd door de impressionist Edgar Degas ( geb. 1838), omdat deze schildert als een fotograaf. Degas schildert als het ware een snapshot van een performance. Menso schildert zijn danseressen in een zwevende scene zonder de danseressen, men ziet alleen nog hun haardossen. Ook de schilderijen met de danseressen zijn een verstilde performance, waarbij de fysieke energie en de verleidelijkheid van het doek af spat.
Menso laat een boek zien over het werk van Degas. Het schilderij “ Le Viol” ( de verkrachting) heeft hij drie keer geschilderd, waarbij er eentje nog niet af is, een ander doek benadrukt het theatrale met als inspiratiebron David Richter (geb. 1962)
Behalve Edgar Degas en Daniel Richter is Menso geïnspireerd door Renee Daniels (geb. 1950) die een meester is in het weglaten. Menso heeft ook veel geleerd tijdens de wandschilderingen van Gijs Frieling (geb.1966), waarbij hij in opdracht van Frieling een gedeelte van het schilderij kon maken.
Jan Reus wil weten of Menso met muziek werkt: Menso wilde vroeger altijd graag net zoals Paul Klee en Kandinsky muziek schilderen en laat zich uiteindelijk meer leiden door de schilderkunst dan de muziek. Hij laat zich wel inspireren door de repeterende delen in de muziek, de elementen die voor iets staan. Zijn Leitmotiv in het geëxposeerde werk zijn: de lamp, de cirkel en de danseressen.
Joanneke merkt op dat zij in Menso twee kanten ziet namelijk een objectieve en een lyrische kant, Menso beaamt dat er zowel een analytische kant als een chaotische kant aanwezig is, zijn werk maakt hij echter wel intuïtief. Tijdens zijn studie econometrie heeft gedurende 10 jaar modeltekenlessen bij Anton Assies in zijn modelatelier genoten. Toen heeft hij het al nodig gehad zijn artistieke kanten te ontwikkelen.
Menso werkt altijd met caseïne (caseïne wordt in kalkwater of natronloog opgelost om kleurstof te binden. Op deze wijze geprepareerde kleuren zijn bestand tegen weersinvloeden en bijzonder geschikt om wandschilderingen te maken op droge pleisterkalk. Deze methode ontstond in de middeleeuwen en kende een hoogtepunt in de plafondschilderingen van de barok.) Menso zijn kunstbroeders hebben deze techniek ook geprobeerd en kwamen er al snel achter dat caseïne moeilijk verwerkbaar blijkt. Menso heeft in Italië fresco technieken geleerd waarbij je de verf ook direct aan moet brengen. Deze techniek permitteert Menso snel en direct te schilderen. De caseïne laat veel transparantie toe, waar Menso zo van houdt. De lagen die er daarna worden opgebracht geven het effect waarmee de doeken van Menso rijk zo rijk worden. Menso zet drie kleuren ( hoofdkleur, onder en bovenkleur) op en schildert daar zijn hele doek mee.
Terug naar de destructie: Menso wil het niet hebben over de destructie in de kunst van de 20e eeuw, waarbij je meteen aan een Picasso en of een Mondriaan moet denken, dat is te gemakkelijk en hij noemt het zelfs een open deur. Menso ziet destructie toch meer als een zoektocht naar een beeld alsof dat er altijd al geweest is. Is dat dan wel destructie of is dat een proces waarbij je net zo lang op zoek gaat totdat je tevreden bent met wat je ziet. Wat echter wel opmerkelijk aan het werk van Menso is dat hij niet bang is om de sporen van de verandering met de toeschouwer te delen. Het gaat er niet over om perfect over te komen, sterker nog het proces mag gezien worden. De fysieke gelaagdheid is duidelijk aanwezig. Volgens Eric is het belangrijk voor de doeken om ze tot leven te brengen, het bouwt het werk juist op. Destructie is veel agressiever, Menso toont juist op subtiele wijze zijn kwetsbaarheid. Wellicht destructief naar de lagen in het schilderij toe, blijft het echter een gevecht dat volledig door Menso beheerst blijft. De vraag die natuurlijk overblijft of het werk van Menso nu destructief of juist constructief. Wij zijn van mening dat het werk constructief is en dat de artistieke processen voor een innerlijk gevecht zorgen, wat nu eenmaal impliciet is aan de creatie.
Tot zover de discussie vòòr het diner met Menso. Wilma en Serge brengen de eerste gang op tafel, een soepje van prei en sint jakobsschelpen. Als hoofd gerecht een cassoulet de Castelnaudary. Het kaas plateau bestaat uit kazen zoals de Brebis du Pays Basque, Camembert de Normandie, de Mont d’or en de Reblochon. Als toetje gestoofde peertjes, kardemon-ijs, amandelpoffertjes en een rode wijn siroopje waarbij een zoete wijn Pacherenc du Vic- Bilh wordt gedronken. Koffie met veel chocolaatjes en een glaasje Jägermeister voor de liefhebbers.
Tijdens het diner praten we verder over het werk van Menso en al pratende krijgen we een mooi en inspirerend beeld over Menso. Eric Beets heeft tijdens het gesprek aantekeningen gemaakt om er later een artikel van te maken, dat gepubliceerd zal worden in Palet.
Bij elkaar genomen een waardig laatste salon in 2011.
Door Wilma Wegert